Home » Blog » Hulpverlener op sokken (of slippers)

Hulpverlener op sokken (of slippers)

Gepubliceerd op 3 oktober 2018 00:00

 

Zo, enigszins verbaasd lees ik het artikel in de Trouw, waarin een mentor voor wilsonbekwamen zich uitlaat over de zorg binnen de GGZ. Waarbij de hulpverlener op de werkvloer ook niet ongeschonden uit de strijd komt. Ik kan het dan ook niet laten hier een reactie op te geven.

 

 

Werkdruk verwarren met werkverdeling. De werkdruk wordt mijn inziens juist veroorzaakt omdat de hulpverlener er het allerliefst voor de patiënt wil zijn (anders waren ze wel administratief medewerker geworden) en dus, soms zelfs in eigen tijd, de administratie nog moet doen. Niet naast de patiënt kunnen zitten (letterlijk) heeft er ook mee te maken dat er ook andere zorginhoudelijke taken zijn die gedaan moeten worden voor het welzijn van de patiënt. Denk aan: familie te woord staan, een vervolgplek regelen, dagbesteding opzetten buiten kliniek, de zorgen van de patiënt bespreken met behandelaren (zoals de medicatie die verkeerd wordt geacht), het inschakelen van andere disciplines voor de geldproblemen, huurproblemen etc. die zijn ontstaan voor opname. Enzovoort.

 

Ik ben als coach en verpleegkundige een groot voorstander van reflecteren op eigen handelen. Ja als coach, niet iemand die het team leert zichzelf leiding te geven, maar iemand die probeert de regie terug te geven aan de hulpverlener om en door de zorg veiliger en beter te maken voor alle betrokkenen. In zelfsturende teams op (gesloten) opname afdelingen geloof ik ook niet.

Helaas wordt er binnen de meeste afdelingen geen tijd genomen voor intervisie, hét moment voor die zelfreflectie of zoals de mentor beschrijft het ‘eigen leed bespreken’, omdat er liever tijd wordt besteedt aan zaken die de patiënt ten goede komt. Hierbij wordt juist vaak voorbij gegaan aan het feit dat die zelfreflectie ook weleens ten goede zou kunnen komen aan de patiënt in kwestie.

Personeel dat zich op een afdeling meldt met slippers aan mag van mij ook rechtsomkeer maken. Niet alleen omdat het ‘niet betrokken’ oogt, maar ook vanwege de veiligheid mocht er fysiek moeten worden ingegrepen. Verder vraag ik mij af wat onder campingkleding wordt verstaan. In de GGZ wordt geen uniform gedragen, ook om de hiërarchie en het wij – zij gevoel te vermijden. Dat de Nederlanders niet zo netjes gekleed gaan als bijvoorbeeld de Fransen, tja, daarvan zijn we al langer op de hoogte. Ik moet eerlijk bekennen dat ik ook niet mijn beste kloffie aantrek naar de gesloten afdeling, om meerdere redenen.

Het pilotenprotocol klinkt leuk en ik vind dat het naar alcohol ruiken of het hebben van een kater niet kunnen binnen de zorg. Hoewel ik eerlijkheid zelve me aan het laatste lang geleden wel eens schuldig heb gemaakt. Een pilotenprotocol zou echter van de 36 uur werkenden bijna een geheel onthouder maken. Is dat dan de bedoeling? Ik rook niet en heb dit tijdens de zorg ook nooit gemist. Naar mijn weten zijn mijn gesprekken met patienten er niet minder om geweest. En dat het roken tegenwoordig in de zorg wordt ontmoedigt juich ik alleen maar toe. Echter is deze omslag nog maar net begonnen en werd roken met patiënt lange tijd ook gezien als het hebben van contact. Niet hoeven praten maar er gewoon zijn en een legitieme reden hebben ook in het rookhok te zitten (waar het meeste gebeurde toen ik nog op de afdeling werkzaam was, en als niet-roker zit je daar toch wat onthand) was ook wat voor te zeggen.

 

Dwangopnames zijn spannend. Altijd. Je veilig voelen als hulpverlener maakt dat het contact aangaan met patiënt mogelijk is. Immers is een onveilig gevoel hetgeen dat maakt dat je liever op het toilet zit tot de rust is wedergekeerd. Het inzetten van beveiliging als vervanger voor hulpverleners vind ik niet de beste zet. Zo niet de slechtste. Juist tijdens deze momenten hebben de patienten een hulpverlener naast zich nodig. Maar dus wel een die zich veilig voelt. En soms is dat met een beveiliger aan je zij, of in de buurt. Want even: 4 extra collega’s zijn niet altijd voorhanden.

Het terugtrekken op kantoor is iets dat bij de meeste afdelingen niet meer gaat: kantoorvrij werken wordt op veel plekken al toegepast. Maar ook hier geldt dat de hulpverlener zich wel veilig moet voelen om ook daadwerkelijk op die groep te zijn.

Als we kritisch kijken naar de zorg en diens hulpverleners, laten we dan de vinger leggen op de echt zere plek. Namelijk dat de hulpverlener bijna geen tijd heeft om de nieuwe collega in te werken, waardoor de nieuwkomers ook snel weer afhaken. Dat hbo-ers soms net zoveel betaald krijgen als een mbo-er, er een tekort is aan psychiaters en/of andere behandelaren en dat de meeste hulpverleners niet toekomen aan goede dossiervoering en/of dossieropbouw. Het moeten werken volgens de nieuwe maatstaven in een werkomgeving die dit niet faciliteert (niet separeren is goed, maar waar ga je dan naar toe met de agressieve patiënt?). En het ontbreken van de juiste begeleiding, bijscholing en training.

 

Het verbaasd mij dat de gesloten opname afdelingen soms nog worden gezien als ‘een afdeling’. In plaats van zoals in het algemeen ziekenhuis de ‘IC’ toch wat meer lading heeft. En dus ook andere kwalificaties van je personeel vergt.

 

Geweld hoort er niet bij. Ook niet een beetje. Agressie wellicht wel, betekent echter niet dat we dit moeten accepteren. Zelfreflectie: hebben we voldoende en juist geïnvesteerd in patiënt, wat was onze attitude (dwang en drang is immers ook agressie in de ogen van patiënt), hebben we aan risicotaxatie gedaan en de casus gedeeld met het behandelteam? M.a.w. hebben we er alles aan gedaan om het te voorkomen. Maar ook opvang en nazorg regelen voor alle (!) betrokkenen, eventueel aangifte doen (ook in het belang van de patiënt zelf!) en registreren.

Er is nog voldoende werk aan de winkel. Misschien wel te weinig handen om dat werk vorm te geven. Maar laten we de hulpverleners die elke dag hun stinkende best doen voor de, ook de agressieve, patiënt, niet wegzetten als lui en onwelwillend.

 


«   »